strop
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- lus van stevig touw, bedoeld om iemand mee op te hangen
- zakelijk avontuur dat tot groot verlies lijdt
- plafond; bovenkant van een ruimte in een gebouw
- plafond; limiet
- plafón
- limit
- podlaha
zelfstandig naamwoord
- lus van stevig touw, bedoeld om iemand mee op te hangen of om bij het stropen dieren te vangen
- iets wat tot groot verlies leidt, bijv. in de zakelijke wereld; tegenslag figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stropje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stropjes | verkleinwoord, meervoud |
| stroppen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stroppen
- gebiedende wijs van stroppen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stroppen
Vervoeging van strop
strophele werkwoord
Herkomst
Waarschijnlijk via Oudfrans estrope van Latijn stroppus/stropus. In de betekenis van ‘strik’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van strop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stropje | verkleinwoord | strop |
| stropjes | verkleinwoord meervoud | strop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van strop zijn vastgelegd.