strijk
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- hoeveelheid wasgoed die nog gestreken moet worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| strijken | meervoud |
| strijkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| strijkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strijken
- gebiedende wijs van strijken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strijken
Vervoeging van strijk
strijkhele werkwoord
Herkomst
naamwoord van handeling van strijken
Woordfamilie van strijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| strijkje | verkleinwoord | strijk |
| strijkjes | verkleinwoord meervoud | strijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van strijk zijn vastgelegd.