striem
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- streep in de huid
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| striemen | meervoud |
| striempje | verkleinwoord, enkelvoud |
| striempjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van striemen
- gebiedende wijs van striemen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van striemen
Vervoeging van striem
striemhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘streep op de huid’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van striem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| striempje | verkleinwoord | striem |
| striempjes | verkleinwoord meervoud | striem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van striem zijn vastgelegd.