strictuur
zelfstandig naamwoordBetekenis
- ziekelijke vernauwing van een hol orgaan of van een buisvormige structuur
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stricturen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vernauwing van lichaamskanaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1840
Woordfamilie van strictuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stricturen | meervoud | strictuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van strictuur zijn vastgelegd.