stoof
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- toestel waarin een vuur brandt om een ruimte te verwarmen
- kachel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stoofje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stoofjes | verkleinwoord, meervoud |
| stoven | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoven
- gebiedende wijs van stoven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoven
Vervoeging van stoof
stoofhele werkwoord
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van stuiven
Vervoeging van stoof
stoofhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘voetwarmer’ voor het eerst aangetroffen in 1300
Woordfamilie van stoof
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stoofje | verkleinwoord | stoof |
| stoofjes | verkleinwoord meervoud | stoof |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stoof zijn vastgelegd.