stilstaan
werkwoord ˈstɪlstanBetekenis
- niet in beweging zijn
- ~ bij aandacht aan iets schenken
Hoe spreek je stilstaan uit?
/ˈstɪlstan/
Stilstaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɪ | pit |
| l | land |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van stilstaan
stilstaanhele werkwoord — stond stilverleden tijd enkelvoud — stonden stilverleden tijd meervoud — stilgestaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sta stil | stond stil |
| jij | staat stil | stond stil |
| hij, zij, het | staat stil | stond stil |
| wij | staan stil | stonden stil |
| jullie | staan stil | stonden stil |
| zij | staan stil | stonden stil |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is stilgestaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was stilgestaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd stilgestaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt stilgestaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal stilgestaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal stilgestaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou stilgestaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou stilgestaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had stilgestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had stilgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had stilgestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden stilgestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden stilgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden stilgestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt stilgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb stilgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stilgestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben stilgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stilgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben stilgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt stilgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stilgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stilgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sta stil | gebiedende wijs |
| stil te staan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stil te zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stil zal staan | bijzin, toekomende tijd |
| stil zou staan | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zouden staan | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zoudt staan | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stil zullen staan | bijzin, toekomende tijd |
| stil zult staan | bijzin, toekomende tijd |
| stilgestaan | verleden tijd, deelwoord |
| stilgestaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stilgestaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stilsta | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stilstaand | onvoltooid, deelwoord |
| stilstaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stilstond | bijzin, verleden tijd |
| stilstonden | bijzin, verleden tijd |
| stilstondt | bijzin, verleden tijd |
| stond stil | verleden tijd |
| te hebben stilgestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stilstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal stilgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stilgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal stilgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stilstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stilstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stilstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal stilstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zou stilgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stilgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stilgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stilstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stilstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stilstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou stilstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) stilstaan stil zou(dt) staan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden stilgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stilgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stilgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stilstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stilstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stilstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden stilstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt stilgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stilstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt stilstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen stilgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stilgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stilgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stilstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stilstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stilstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stilstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen stilstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult stilgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stilstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult stilstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal stilstaan stil zult/zal staan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van stil en staan
Woordfamilie van stilstaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sta stil | gebiedende wijs | stilstaan |
| staan stil | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | stilstaan |
| staat stil | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stilstaan |
| stilgestaan | voltooid deelwoord | stilstaan |
| stilsta | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stilstaan |
| stilstaand | onvoltooid deelwoord | stilstaan |
| stilstaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stilstaan |
| stilstond | subordinate-clause, verleden tijd | stilstaan |
| stilstonden | subordinate-clause, verleden tijd | stilstaan |
| stond stil | verleden tijd | stilstaan |
| stonden stil | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stilstaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stilstaan zijn vastgelegd.