sticker
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- plakplaatje
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stickers | meervoud |
| stickertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stickertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stickeren
- gebiedende wijs van stickeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stickeren
Vervoeging van sticker
stickerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘plakker’ voor het eerst aangetroffen in 1969
Woordfamilie van sticker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stickers | meervoud | sticker |
| stickertje | verkleinwoord | sticker |
| stickertjes | verkleinwoord meervoud | sticker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sticker zijn vastgelegd.