stick
zelfstandig naamwoordBetekenis
- staafvormig voorwerp
- een slaghout bij (ijs)hockey, een hockeystick
- idem gebruikt bij golf, een golfclub
- een USB-stick of memorystick
- een wietstick of joint (meestal stickie genoemd)
- stok
- tak
- steken
- plakken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stickje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stickjes | verkleinwoord, meervoud |
| sticks | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels.
Woordfamilie van stick
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stickje | verkleinwoord | stick |
| stickjes | verkleinwoord meervoud | stick |
| sticks | meervoud | stick |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stick zijn vastgelegd.