stencilen
werkwoordBetekenis
- afdrukken maken met een stencilmachine
Vervoeging van stencilen
stencilenhele werkwoord — stencildeverleden tijd enkelvoud — stencildenverleden tijd meervoud — gestencildvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stencil | stencilde |
| jij | stencilt | stencilde |
| hij, zij, het | stencilt | stencilde |
| wij | stencilen | stencilden |
| jullie | stencilen | stencilden |
| zij | stencilen | stencilden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gestencild | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestencild | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestencild | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestencild | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestencild worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestencild zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestencild worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestencild zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestencild | verleden tijd, deelwoord |
| gestencild te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestencild zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestencild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestencild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestencild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestencild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestencild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestencild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestencild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestencild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestencild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestencild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestencild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestencild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestencild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestencild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestencild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stencil | gebiedende wijs |
| stencilde | verleden tijd |
| stencile | aanvoegende wijs |
| stencilend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestencild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stencilen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stencilen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestencild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestencild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestencild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stencilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stencilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stencilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestencild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestencild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestencild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stencilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stencilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stencilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestencild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestencild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestencild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stencilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stencilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stencilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestencild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stencilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestencild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestencild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestencild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stencilen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stencilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stencilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stencilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestencild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stencilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘afdrukken maken’ voor het eerst aangetroffen in 1940
Woordfamilie van stencilen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestencild | voltooid deelwoord | stencilen |
| stencilde | verleden tijd | stencilen |
| stencilden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stencilen |
| stencile | aanvoegende wijs | stencilen |
| stencilend | onvoltooid deelwoord | stencilen |
| stencilende | woordvorm | stencilen |
| stencilt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stencilen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stencilen zijn vastgelegd.