stelpen
werkwoordBetekenis
- de vloei, gewoonlijk van bloed, tot staan brengen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van stelpen
stelpenhele werkwoord — stelpteverleden tijd enkelvoud — stelptenverleden tijd meervoud — gestelptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stelp | stelpte |
| jij | stelpt | stelpte |
| hij, zij, het | stelpt | stelpte |
| wij | stelpen | stelpten |
| jullie | stelpen | stelpten |
| zij | stelpen | stelpten |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gestelpt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestelpt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestelpt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestelpt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestelpt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestelpt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestelpt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestelpt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestelpt | verleden tijd, deelwoord |
| gestelpt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestelpt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestelpt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestelpt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestelpt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestelpt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestelpt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestelpt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestelpt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestelpt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestelpt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestelpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestelpt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestelpt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestelpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestelpt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestelpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestelpt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestelpt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestelpt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestelpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestelpt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestelpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestelpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestelpt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gestelpt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stelp | gebiedende wijs |
| stelpe | aanvoegende wijs |
| stelpend | onvoltooid, deelwoord |
| stelpte | verleden tijd |
| te hebben gestelpt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stelpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stelpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gestelpt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gestelpt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gestelpt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gestelpt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gestelpt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gestelpt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gestelpt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestelpt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestelpt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gestelpt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gestelpt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stelpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stelpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stelpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gestelpt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gestelpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestelpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestelpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gestelpt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gestelpt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stelpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stelpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stelpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestelpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestelpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestelpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestelpt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestelpt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stelpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stelpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stelpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestelpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stelpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestelpt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestelpt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestelpt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestelpt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestelpt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stelpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stelpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stelpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stelpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestelpt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stelpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘doen ophouden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van stelpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestelpt | voltooid deelwoord | stelpen |
| gestelpte | woordvorm | stelpen |
| stelp | gebiedende wijs | stelpen |
| stelpe | aanvoegende wijs | stelpen |
| stelpend | onvoltooid deelwoord | stelpen |
| stelpende | woordvorm | stelpen |
| stelpt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stelpen |
| stelpte | verleden tijd | stelpen |
| stelpten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stelpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stelpen zijn vastgelegd.