standhouden
werkwoordBetekenis
- alle aanvallen weerstaan
- blijven beweren
Vervoeging van standhouden
standhoudenhele werkwoord — hield standverleden tijd enkelvoud — hielden standverleden tijd meervoud — standgehoudenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hou stand | hield stand |
| jij | houdt stand | hield stand |
| hij, zij, het | houdt stand | hield stand |
| wij | houden stand | hielden stand |
| jullie | houden stand | hielden stand |
| zij | houden stand | hielden stand |
Alle 84 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is standgehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was standgehouden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd standgehouden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt standgehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal standgehouden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal standgehouden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou standgehouden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou standgehouden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had standgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had standgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had standgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden standgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden standgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden standgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt standgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb standgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben standgehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben standgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben standgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben standgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt standgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft standgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft standgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hield stand | verleden tijd |
| hou stand | gebiedende wijs |
| houd stand | gebiedende wijs |
| stand te houden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stand te zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stand zal houden | bijzin, toekomende tijd |
| stand zou houden | bijzin, voorwaardelijk |
| stand zouden houden | bijzin, voorwaardelijk |
| stand zoudt houden | bijzin, voorwaardelijk |
| stand zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stand zullen houden | bijzin, toekomende tijd |
| stand zult houden | bijzin, toekomende tijd |
| standgehouden | verleden tijd, deelwoord |
| standgehouden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| standgehouden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| standhield | bijzin, verleden tijd |
| standhielden | bijzin, verleden tijd |
| standhou | bijzin, tegenwoordige tijd |
| standhoud | bijzin, tegenwoordige tijd |
| standhoudend | onvoltooid, deelwoord |
| standhoudt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben standgehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen standhouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal standgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal standgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal standgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal standhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal standhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal standhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal standhouden | bijzin, toekomende tijd |
| zou standgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou standgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou standgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou standhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou standhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou standhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou standhouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) standhouden stand zou(dt) houden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden standgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden standgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden standgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden standhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden standhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden standhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden standhouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt standgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt standhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt standhouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen standgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen standgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen standgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen standhouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen standhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen standhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen standhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen standhouden | bijzin, toekomende tijd |
| zult standgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult standhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult standhouden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal standhouden stand zult/zal houden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van stand en houden
Woordfamilie van standhouden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hield stand | verleden tijd | standhouden |
| hielden stand | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | standhouden |
| hou stand | gebiedende wijs | standhouden |
| houd stand | gebiedende wijs | standhouden |
| houde stand | woordvorm | standhouden |
| houden stand | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | standhouden |
| houdt stand | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | standhouden |
| standgehouden | voltooid deelwoord | standhouden |
| standhield | subordinate-clause, verleden tijd | standhouden |
| standhielden | subordinate-clause, verleden tijd | standhouden |
| standhou | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | standhouden |
| standhoud | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | standhouden |
| standhoude | with-subordinate-clause | standhouden |
| standhoudend | onvoltooid deelwoord | standhouden |
| standhoudende | woordvorm | standhouden |
| standhoudt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | standhouden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van standhouden zijn vastgelegd.