staffel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- rente berekend over een bedrag op een rekening-courant over de periode tussen twee wijzigingen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| staffels | meervoud |
| staffeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| staffeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van staffelen
- gebiedende wijs van staffelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van staffelen
Vervoeging van staffel
staffelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘berekeningswijze waaruit bij elke wijziging het saldo blijkt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912
Woordfamilie van staffel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| staffels | meervoud | staffel |
| staffeltje | verkleinwoord | staffel |
| staffeltjes | verkleinwoord meervoud | staffel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van staffel zijn vastgelegd.