stabiliseren
werkwoordBetekenis
- stabiel maken, bestendigen
- stabiel worden
Vervoeging van stabiliseren
stabiliserenhele werkwoord — stabiliseerdeverleden tijd enkelvoud — stabiliseerdenverleden tijd meervoud — gestabiliseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stabiliseer | stabiliseerde |
| jij | stabiliseert | stabiliseerde |
| hij, zij, het | stabiliseert | stabiliseerde |
| wij | stabiliseren | stabiliseerden |
| jullie | stabiliseren | stabiliseerden |
| zij | stabiliseren | stabiliseerden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben gestabiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gestabiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gestabiliseerd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gestabiliseerd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gestabiliseerd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gestabiliseerd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gestabiliseerd worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gestabiliseerd zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gestabiliseerd worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gestabiliseerd zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestabiliseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gestabiliseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestabiliseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestabiliseerd te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestabiliseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestabiliseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestabiliseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestabiliseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestabiliseerd zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestabiliseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestabiliseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben gestabiliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is gestabiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gestabiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stabiliseer | gebiedende wijs |
| stabiliseerde | verleden tijd |
| stabilisere | aanvoegende wijs |
| stabiliserend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben/zijn gestabiliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stabiliseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stabiliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gestabiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestabiliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gestabiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestabiliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gestabiliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gestabiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gestabiliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gestabiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gestabiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gestabiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gestabiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gestabiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gestabiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gestabiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gestabiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gestabiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gestabiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gestabiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gestabiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gestabiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gestabiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestabiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gestabiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestabiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stabiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stabiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stabiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gestabiliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gestabiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gestabiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gestabiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gestabiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gestabiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestabiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gestabiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestabiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestabiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestabiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stabiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stabiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stabiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestabiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gestabiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gestabiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestabiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestabiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestabiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stabiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stabiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stabiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestabiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gestabiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stabiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestabiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gestabiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gestabiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestabiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestabiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestabiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stabiliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stabiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stabiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stabiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestabiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gestabiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stabiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘duurzaam maken’ voor het eerst aangetroffen in 1886
Woordfamilie van stabiliseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestabiliseerd | voltooid deelwoord | stabiliseren |
| stabiliseer | gebiedende wijs | stabiliseren |
| stabiliseerde | verleden tijd | stabiliseren |
| stabiliseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stabiliseren |
| stabiliseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stabiliseren |
| stabilisere | aanvoegende wijs | stabiliseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stabiliseren zijn vastgelegd.