staartdelen
werkwoord ˈstardelə(n)Betekenis
- manier om op papier stapsgewijs een quotiënt berekenen
Hoe spreek je staartdelen uit?
/ˈstardelən/
Staartdelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| a | maan |
| r | rood |
| d | dak |
| e | veel |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van staartdelen
staartdelenhele werkwoord — staartdeeldeverleden tijd enkelvoud — staartdeeldenverleden tijd meervoud — gestaartdeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | staartdeel | staartdeelde |
| jij | staartdeelt | staartdeelde |
| hij, zij, het | staartdeelt | staartdeelde |
| wij | staartdelen | staartdeelden |
| jullie | staartdelen | staartdeelden |
| zij | staartdelen | staartdeelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gestaartdeeld | verleden tijd, deelwoord |
| gestaartdeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestaartdeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestaartdeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestaartdeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestaartdeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestaartdeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestaartdeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestaartdeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestaartdeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestaartdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestaartdeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestaartdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestaartdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestaartdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestaartdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestaartdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestaartdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| staartdeel | gebiedende wijs |
| staartdeelde | verleden tijd |
| staartdele | aanvoegende wijs |
| staartdelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestaartdeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te staartdelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen staartdelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestaartdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestaartdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestaartdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal staartdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal staartdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal staartdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestaartdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestaartdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestaartdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou staartdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou staartdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou staartdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestaartdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestaartdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestaartdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden staartdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden staartdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden staartdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestaartdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt staartdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestaartdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestaartdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestaartdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen staartdelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen staartdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen staartdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen staartdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestaartdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult staartdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
terugvorming uit staartdeling zn , op te vatten als samenstelling van staart zn en delen ww , omdat de af te trekken tussenresultaten als een soort staart onder de regel met de oorspronkelijke opgave komen te staan
Woordfamilie van staartdelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestaartdeeld | voltooid deelwoord | staartdelen |
| staartdeel | gebiedende wijs | staartdelen |
| staartdeelde | verleden tijd | staartdelen |
| staartdeelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | staartdelen |
| staartdeelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | staartdelen |
| staartdele | aanvoegende wijs | staartdelen |
| staartdelend | onvoltooid deelwoord | staartdelen |
| staartdelende | woordvorm | staartdelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van staartdelen zijn vastgelegd.