sputteren
werkwoordBetekenis
- kleine belletjes of druppeltjes spuug voortbrengen (zoals bij baby's)
- zonder overtuigingskracht blijven tegenspreken
- spetteren
- proces om een oppervlak met een uiterst dun laagje metaal te bedekken
Vervoeging van sputteren
sputterenhele werkwoord — sputterdeverleden tijd enkelvoud — sputterdenverleden tijd meervoud — gesputterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sputter | sputterde |
| jij | sputtert | sputterde |
| hij, zij, het | sputtert | sputterde |
| wij | sputteren | sputterden |
| jullie | sputteren | sputterden |
| zij | sputteren | sputterden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesputterd | verleden tijd, deelwoord |
| gesputterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesputterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesputterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesputterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesputterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesputterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesputterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesputterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesputterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesputterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesputterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesputterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesputterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesputterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesputterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesputterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesputterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sputter | gebiedende wijs |
| sputterde | verleden tijd |
| sputtere | aanvoegende wijs |
| sputterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesputterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te sputteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sputteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesputterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesputterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesputterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sputteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sputteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sputteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesputterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesputterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesputterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sputteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sputteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sputteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesputterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesputterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesputterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sputteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sputteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sputteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesputterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sputteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesputterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesputterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesputterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sputteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sputteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sputteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sputteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesputterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sputteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘pruttelende geluiden maken’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Woordfamilie van sputteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesputterd | voltooid deelwoord | sputteren |
| sputter | gebiedende wijs | sputteren |
| sputterde | verleden tijd | sputteren |
| sputterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | sputteren |
| sputtere | aanvoegende wijs | sputteren |
| sputterend | onvoltooid deelwoord | sputteren |
| sputterende | woordvorm | sputteren |
| sputtert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | sputteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sputteren zijn vastgelegd.