sprenkelen
werkwoordBetekenis
- een vloeistof of poeder losjes over iets verspreiden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van sprenkelen
sprenkelenhele werkwoord — sprenkeldeverleden tijd enkelvoud — sprenkeldenverleden tijd meervoud — gesprenkeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sprenkel | sprenkelde |
| jij | sprenkelt | sprenkelde |
| hij, zij, het | sprenkelt | sprenkelde |
| wij | sprenkelen | sprenkelden |
| jullie | sprenkelen | sprenkelden |
| zij | sprenkelen | sprenkelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesprenkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesprenkeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesprenkeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesprenkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesprenkeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesprenkeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesprenkeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesprenkeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesprenkeld | verleden tijd, deelwoord |
| gesprenkeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesprenkeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesprenkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesprenkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesprenkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesprenkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesprenkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesprenkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesprenkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesprenkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesprenkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesprenkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesprenkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesprenkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesprenkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesprenkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesprenkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sprenkel | gebiedende wijs |
| sprenkelde | verleden tijd |
| sprenkele | aanvoegende wijs |
| sprenkelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesprenkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te sprenkelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sprenkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesprenkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesprenkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesprenkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sprenkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sprenkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sprenkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesprenkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesprenkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesprenkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sprenkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sprenkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sprenkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesprenkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesprenkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesprenkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sprenkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sprenkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sprenkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesprenkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sprenkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesprenkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesprenkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesprenkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sprenkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sprenkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sprenkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sprenkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesprenkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sprenkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van het verouderde sprenkel (uitgestrooid deeltje) met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van sprenkelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesprenkeld | voltooid deelwoord | sprenkelen |
| gesprenkelde | woordvorm | sprenkelen |
| sprenkelde | verleden tijd | sprenkelen |
| sprenkelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | sprenkelen |
| sprenkele | aanvoegende wijs | sprenkelen |
| sprenkelend | onvoltooid deelwoord | sprenkelen |
| sprenkelende | woordvorm | sprenkelen |
| sprenkelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | sprenkelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sprenkelen zijn vastgelegd.