spreiden
werkwoordBetekenis
- wijd uiteendoen
Vervoeging van spreiden
spreidenhele werkwoord — spreiddeverleden tijd enkelvoud — spreiddenverleden tijd meervoud — gespreidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spreid | spreidde |
| jij | spreidt | spreidde |
| hij, zij, het | spreidt | spreidde |
| wij | spreiden | spreidden |
| jullie | spreiden | spreidden |
| zij | spreiden | spreidden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gespreid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gespreid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gespreid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gespreid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gespreid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gespreid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gespreid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gespreid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gespreid | verleden tijd, deelwoord |
| gespreid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gespreid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gespreid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespreid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespreid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespreid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gespreid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gespreid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gespreid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gespreid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespreid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespreid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespreid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespreid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespreid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spreid | gebiedende wijs |
| spreidde | verleden tijd |
| spreide | aanvoegende wijs |
| spreidend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gespreid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spreiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spreiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gespreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gespreid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gespreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gespreid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gespreid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gespreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gespreid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gespreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gespreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gespreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gespreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gespreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gespreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gespreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gespreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gespreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gespreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gespreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gespreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gespreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gespreid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespreid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespreid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gespreid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespreid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal spreiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spreiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spreiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gespreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spreiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spreiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spreiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gespreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spreiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spreiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spreiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gespreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spreiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespreid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespreid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespreid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gespreid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespreid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespreid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen spreiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spreiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spreiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spreiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespreid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gespreid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spreiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘uiteenplaatsen, gelijkmatig verdelen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van spreiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spreid | gebiedende wijs | spreiden |
| spreidde | verleden tijd | spreiden |
| spreidden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | spreiden |
| spreide | aanvoegende wijs | spreiden |
| spreidend | onvoltooid deelwoord | spreiden |
| spreidende | woordvorm | spreiden |
| spreidt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | spreiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spreiden zijn vastgelegd.