sportvissen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈspɔrtfɪsə(n)Betekenis
- vangen van vis als hobby
Hoe spreek je sportvissen uit?
/ˈspɔrtfɪsən/
Sportvissen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| t | tak |
| f | fiets |
| ɪ | pit |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van sportvissen
sportvissenhele werkwoord — gesportvistvoltooid deelwoord
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | gebiedende wijs |
| - | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| - | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| - | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| - | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| - | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| - | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, derde persoon |
| - | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| - | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| - | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, derde persoon |
| - | verleden tijd |
| - | aanvoegende wijs |
| er is gesportvist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesportvist | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesportvist | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesportvist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesportvist worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesportvist zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesportvist worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesportvist zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesportvist | verleden tijd, deelwoord |
| gesportvist te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesportvist zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesportvist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesportvist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesportvist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesportvist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesportvist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesportvist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesportvist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesportvist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesportvist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesportvist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesportvist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesportvist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesportvist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesportvist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesportvist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sportvissend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesportvist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te sportvissen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sportvissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesportvist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesportvist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesportvist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sportvissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sportvissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sportvissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesportvist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesportvist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesportvist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sportvissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sportvissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sportvissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesportvist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesportvist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesportvist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sportvissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sportvissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sportvissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesportvist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sportvissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesportvist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesportvist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesportvist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sportvissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sportvissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sportvissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sportvissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesportvist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sportvissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord sportvis
Herkomst
[werkwoord] samenstelling van sport zn en vissen ww
Woordfamilie van sportvissen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesportvist | voltooid deelwoord | sportvissen |
| sportvissend | onvoltooid deelwoord | sportvissen |
| sportvissende | woordvorm | sportvissen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sportvissen zijn vastgelegd.