Naar de inhoud

splijten

langs een nerf in tweeën breken

splijten

werkwoord

Betekenis

  1. langs een nerf in tweeën breken
  2. het proces van het in twee delen breken langs een nerf

Vervoeging van splijten

splijtenhele werkwoord — spleetverleden tijd enkelvoud — spletenverleden tijd meervoud — gespletenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik splijt spleet
jij splijt spleet
hij, zij, het splijt spleet
wij splijten spleten
jullie splijten spleten
zij splijten spleten
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben gespleten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gespleten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gespleten impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was gespleten impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd gespleten impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt gespleten impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gespleten worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gespleten zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou gespleten worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou gespleten zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
gespleten verleden tijd, deelwoord
gespleten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gespleten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gespleten te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gespleten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gespleten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gespleten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gespleten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gespleten zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gespleten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gespleten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hebben gespleten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is gespleten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gespleten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
spleet verleden tijd
splijt gebiedende wijs
splijte aanvoegende wijs
splijtend onvoltooid, deelwoord
te hebben/zijn gespleten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te splijten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen splijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gespleten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gespleten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gespleten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gespleten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gespleten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gespleten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gespleten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gespleten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gespleten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gespleten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gespleten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gespleten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gespleten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gespleten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gespleten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gespleten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gespleten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gespleten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gespleten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gespleten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gespleten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gespleten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gespleten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gespleten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal splijten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal splijten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal splijten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gespleten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gespleten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gespleten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gespleten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gespleten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gespleten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gespleten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gespleten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gespleten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gespleten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gespleten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou splijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou splijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou splijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gespleten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gespleten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gespleten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gespleten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gespleten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gespleten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden splijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden splijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden splijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gespleten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gespleten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt splijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gespleten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gespleten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gespleten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gespleten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gespleten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gespleten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen splijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen splijten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen splijten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen splijten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gespleten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gespleten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult splijten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘kloven’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Woordfamilie van splijten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gespleten voltooid deelwoord splijten
splijt gebiedende wijs splijten
splijte aanvoegende wijs splijten
splijtend onvoltooid deelwoord splijten
splijtende woordvorm splijten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van splijten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over splijten

Wat betekent splijten?
Splijten is een werkwoord. Het woord betekent: langs een nerf in tweeën breken. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je splijten?
Je vervoegt splijten als volgt: de tegenwoordige tijd is splijt, de verleden tijd is spleet en het voltooid deelwoord is gespleten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord splijten is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. P 3
  3. L 3
  4. I 1
  5. J 4
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

splijten levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. P 4
  3. L 3
  4. I 2
  5. J 4
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

splijten in het kort

splijten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van splijten zijn 62 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort splijten bij een woordfamilie van 5 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

splijten: langs een nerf in tweeën breken
Deel splijten — standaardnederlands.nl