splijten
werkwoordBetekenis
- langs een nerf in tweeën breken
- het proces van het in twee delen breken langs een nerf
Vervoeging van splijten
splijtenhele werkwoord — spleetverleden tijd enkelvoud — spletenverleden tijd meervoud — gespletenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | splijt | spleet |
| jij | splijt | spleet |
| hij, zij, het | splijt | spleet |
| wij | splijten | spleten |
| jullie | splijten | spleten |
| zij | splijten | spleten |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben gespleten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gespleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gespleten | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gespleten | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gespleten | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gespleten | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gespleten worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gespleten zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gespleten worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gespleten zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gespleten | verleden tijd, deelwoord |
| gespleten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gespleten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gespleten te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespleten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespleten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespleten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gespleten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gespleten zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gespleten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gespleten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben gespleten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is gespleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gespleten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spleet | verleden tijd |
| splijt | gebiedende wijs |
| splijte | aanvoegende wijs |
| splijtend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben/zijn gespleten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te splijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen splijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gespleten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gespleten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gespleten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gespleten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gespleten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gespleten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gespleten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gespleten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gespleten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gespleten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gespleten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gespleten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gespleten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gespleten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gespleten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gespleten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gespleten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gespleten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gespleten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gespleten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gespleten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespleten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gespleten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespleten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal splijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal splijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal splijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gespleten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gespleten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gespleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gespleten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gespleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gespleten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespleten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gespleten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou splijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou splijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou splijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespleten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gespleten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gespleten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gespleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden splijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden splijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden splijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespleten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gespleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt splijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespleten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gespleten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gespleten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gespleten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespleten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespleten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen splijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen splijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen splijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen splijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespleten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gespleten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult splijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘kloven’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van splijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gespleten | voltooid deelwoord | splijten |
| splijt | gebiedende wijs | splijten |
| splijte | aanvoegende wijs | splijten |
| splijtend | onvoltooid deelwoord | splijten |
| splijtende | woordvorm | splijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van splijten zijn vastgelegd.