spijbelen
werkwoordBetekenis
- ongeoorloofd uit school wegblijven
Vervoeging van spijbelen
spijbelenhele werkwoord — spijbeldeverleden tijd enkelvoud — spijbeldenverleden tijd meervoud — gespijbeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spijbel | spijbelde |
| jij | spijbelt | spijbelde |
| hij, zij, het | spijbelt | spijbelde |
| wij | spijbelen | spijbelden |
| jullie | spijbelen | spijbelden |
| zij | spijbelen | spijbelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gespijbeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gespijbeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gespijbeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gespijbeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gespijbeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gespijbeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gespijbeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gespijbeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gespijbeld | verleden tijd, deelwoord |
| gespijbeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespijbeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespijbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespijbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespijbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespijbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespijbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespijbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespijbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespijbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespijbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespijbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespijbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespijbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespijbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespijbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespijbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spijbel | gebiedende wijs |
| spijbelde | verleden tijd |
| spijbele | aanvoegende wijs |
| spijbelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gespijbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spijbelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spijbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gespijbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespijbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespijbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal spijbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spijbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spijbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gespijbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespijbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespijbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spijbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spijbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spijbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespijbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespijbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespijbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spijbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spijbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spijbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespijbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spijbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespijbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespijbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespijbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen spijbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spijbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spijbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spijbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespijbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spijbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘school verzuimen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1762
Woordfamilie van spijbelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gespijbeld | voltooid deelwoord | spijbelen |
| spijbel | gebiedende wijs | spijbelen |
| spijbelde | verleden tijd | spijbelen |
| spijbelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | spijbelen |
| spijbele | aanvoegende wijs | spijbelen |
| spijbelend | onvoltooid deelwoord | spijbelen |
| spijbelende | woordvorm | spijbelen |
| spijbelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | spijbelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spijbelen zijn vastgelegd.