speculeren
werkwoordBetekenis
- inzetten op een bepaalde kans, meestal met hoog risico
- vermoedens uitspreken
Vervoeging van speculeren
speculerenhele werkwoord — speculeerdeverleden tijd enkelvoud — speculeerdenverleden tijd meervoud — gespeculeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | speculeer | speculeerde |
| jij | speculeert | speculeerde |
| hij, zij, het | speculeert | speculeerde |
| wij | speculeren | speculeerden |
| jullie | speculeren | speculeerden |
| zij | speculeren | speculeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gespeculeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gespeculeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespeculeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespeculeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespeculeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespeculeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespeculeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespeculeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespeculeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespeculeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespeculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespeculeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespeculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespeculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespeculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespeculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespeculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespeculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| speculeer | gebiedende wijs |
| speculeerde | verleden tijd |
| speculere | aanvoegende wijs |
| speculerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gespeculeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te speculeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen speculeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gespeculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespeculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespeculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal speculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal speculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal speculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gespeculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespeculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespeculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou speculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou speculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou speculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespeculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespeculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespeculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden speculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden speculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden speculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespeculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt speculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespeculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespeculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespeculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen speculeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen speculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen speculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen speculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespeculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult speculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gokken (op)’ voor het eerst aangetroffen in 1866
Woordfamilie van speculeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gespeculeerd | voltooid deelwoord | speculeren |
| speculeer | gebiedende wijs | speculeren |
| speculeerde | verleden tijd | speculeren |
| speculeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | speculeren |
| speculeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | speculeren |
| speculere | aanvoegende wijs | speculeren |
| speculerend | onvoltooid deelwoord | speculeren |
| speculerende | woordvorm | speculeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van speculeren zijn vastgelegd.