spant
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- spar in een dakconstructie, een dakspar of dakspant
- gebogen onderdeel in een romp die loodrecht op de lengte is aangebracht en voor het dwarsverband zorgt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spanten | meervoud |
| spantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spantjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spannen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spannen
- gebiedende wijs meervoud van spannen
Vervoeging van spant
spanthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘balk tegen de nok’ voor het eerst aangetroffen in 1662
Woordfamilie van spant
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spanten | meervoud | spant |
| spantje | verkleinwoord | spant |
| spantjes | verkleinwoord meervoud | spant |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spant zijn vastgelegd.