spalk
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- middel om een gewricht of bot te ondersteunen en onbeweeglijk te houden zodat het tot rust kan komen en kan genezen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spalken | meervoud |
| spalkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spalkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spalken
- gebiedende wijs van spalken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spalken
Vervoeging van spalk
spalkhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘hout om gebroken ledematen onbeweeglijk te bevestigen’ voor het eerst aangetroffen in 1351
Woordfamilie van spalk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spalkje | verkleinwoord | spalk |
| spalkjes | verkleinwoord meervoud | spalk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spalk zijn vastgelegd.