spaan
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- spaander
- stukje metaal (of ander materiaal), verwijderd bij een verspanen|verspanende bewerking
- houten gereedschap bestaande uit een blad met steel
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- stukje metaal (of ander materiaal), verwijderd bij een verspanende bewerking
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spaantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spaantjes | verkleinwoord, meervoud |
| spanen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spanen
- gebiedende wijs van spanen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spanen
Vervoeging van spaan
spaanhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘afgespleten hout’ voor het eerst aangetroffen in 1260
Woordfamilie van spaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spaantje | verkleinwoord | spaan |
| spaantjes | verkleinwoord meervoud | spaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spaan zijn vastgelegd.