spatel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈspatəlBetekenis
- spaan, lepel e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren, schrapen, roeren enz.
- platte reep van hout of metaal om bepaalde vormen van lichamelijk onderzoek te verrichten
Hoe spreek je spatel uit?
/ˈspatəl/
Spatel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| a | maan |
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spatels | meervoud |
| spateltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spateltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spatelen
- gebiedende wijs van spatelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spatelen
Vervoeging van spatel
spatelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘platte lepel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Woordfamilie van spatel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spatels | meervoud | spatel |
| spateltje | verkleinwoord | spatel |
| spateltjes | verkleinwoord meervoud | spatel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spatel zijn vastgelegd.