souffleren
werkwoordBetekenis
- een toneelrol zachtjes voorzeggen
- laten opkomen of zwellen (d.m.v. geklopt eiwit met veel lucht erin) (- soufflé)
werkwoord
- laten opkomen of zwellen (d.m.v. geklopt eiwit met veel lucht erin) (-> soufflé)
Vervoeging van souffleren
soufflerenhele werkwoord — souffleerdeverleden tijd enkelvoud — souffleerdenverleden tijd meervoud — gesouffleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | souffleer | souffleerde |
| jij | souffleert | souffleerde |
| hij, zij, het | souffleert | souffleerde |
| wij | souffleren | souffleerden |
| jullie | souffleren | souffleerden |
| zij | souffleren | souffleerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesouffleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesouffleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesouffleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesouffleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesouffleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesouffleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesouffleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesouffleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesouffleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gesouffleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesouffleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesouffleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesouffleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesouffleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesouffleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesouffleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesouffleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesouffleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesouffleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesouffleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesouffleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesouffleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesouffleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesouffleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesouffleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesouffleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| souffleer | gebiedende wijs |
| souffleerde | verleden tijd |
| soufflere | aanvoegende wijs |
| soufflerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesouffleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te souffleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen souffleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesouffleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesouffleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesouffleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal souffleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal souffleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal souffleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesouffleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesouffleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesouffleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou souffleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou souffleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou souffleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesouffleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesouffleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesouffleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden souffleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden souffleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden souffleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesouffleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt souffleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesouffleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesouffleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesouffleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen souffleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen souffleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen souffleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen souffleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesouffleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult souffleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voorzeggen’ voor het eerst aangetroffen in 1808
Woordfamilie van souffleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesouffleerd | voltooid deelwoord | souffleren |
| gesouffleerde | woordvorm | souffleren |
| souffleer | gebiedende wijs | souffleren |
| souffleerde | verleden tijd | souffleren |
| souffleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | souffleren |
| souffleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | souffleren |
| soufflere | aanvoegende wijs | souffleren |
| soufflerend | onvoltooid deelwoord | souffleren |
| soufflerende | woordvorm | souffleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van souffleren zijn vastgelegd.