solidariseren
werkwoordBetekenis
- solidair worden met
- zich ~: zich solidair verklaren met
Vervoeging van solidariseren
solidariserenhele werkwoord — solidariseerdeverleden tijd enkelvoud — solidariseerdenverleden tijd meervoud — gesolidariseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | solidariseer | solidariseerde |
| jij | solidariseert | solidariseerde |
| hij, zij, het | solidariseert | solidariseerde |
| wij | solidariseren | solidariseerden |
| jullie | solidariseren | solidariseerden |
| zij | solidariseren | solidariseerden |
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesolidariseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gesolidariseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesolidariseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesolidariseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesolidariseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesolidariseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesolidariseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesolidariseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesolidariseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesolidariseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesolidariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesolidariseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesolidariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesolidariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesolidariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesolidariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesolidariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesolidariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| solidariseer | gebiedende wijs |
| solidariseer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| solidariseer u/je , solidariseert je | gebiedende wijs |
| solidariseerde | verleden tijd |
| solidariseerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| solidariseerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| solidariseerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| solidariseerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| solidariseerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| solidariseerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| solidariseerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| solidariseerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| solidariseerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| solidariseerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| solidariseert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| solidariseert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| solidariseert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| solidariseert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| solidariseert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| solidariseert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| solidarisere | aanvoegende wijs |
| solidarisere zich | aanvoegende wijs |
| solidariseren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| solidariseren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| solidariseren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| solidariserend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesolidariseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te solidariseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen solidariseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesolidariseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesolidariseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesolidariseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me solidariseren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal solidariseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal solidariseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal solidariseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich solidariseren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je solidariseren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gesolidariseerd hebben | verleden tijd |
| zich solidariserend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gesolidariseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesolidariseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesolidariseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou solidariseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou solidariseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou solidariseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesolidariseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesolidariseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesolidariseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden solidariseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden solidariseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden solidariseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesolidariseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt solidariseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesolidariseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesolidariseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesolidariseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je solidariseren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons solidariseren | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen solidariseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen solidariseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen solidariseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen solidariseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich solidariseren | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult gesolidariseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult solidariseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u solidariseren | tweede persoon |
| zult u solidariseren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u solidariseren | tweede persoon |
| zult zich/u solidariseren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
afgeleid van het Franse solidariser (met het achtervoegsel -iseren)
Woordfamilie van solidariseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesolidariseerd | voltooid deelwoord | solidariseren |
| solidariseer | gebiedende wijs | solidariseren |
| solidariseerde | verleden tijd | solidariseren |
| solidariseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | solidariseren |
| solidariseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | solidariseren |
| solidarisere | aanvoegende wijs | solidariseren |
| solidariserend | onvoltooid deelwoord | solidariseren |
| solidariserende | woordvorm | solidariseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van solidariseren zijn vastgelegd.