soigneren
werkwoordBetekenis
- zorg besteden aan het uiterlijk
- de lichamelijke conditie van sportlieden verzorgen
Vervoeging van soigneren
soignerenhele werkwoord — soigneerdeverleden tijd enkelvoud — soigneerdenverleden tijd meervoud — gesoigneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | soigneer | soigneerde |
| jij | soigneert | soigneerde |
| hij, zij, het | soigneert | soigneerde |
| wij | soigneren | soigneerden |
| jullie | soigneren | soigneerden |
| zij | soigneren | soigneerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesoigneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesoigneerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesoigneerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesoigneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesoigneerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesoigneerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesoigneerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesoigneerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesoigneerd | verleden tijd, deelwoord |
| gesoigneerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesoigneerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesoigneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesoigneerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesoigneerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesoigneerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesoigneerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesoigneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesoigneerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesoigneerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesoigneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesoigneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesoigneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesoigneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesoigneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesoigneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesoigneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesoigneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| soigneer | gebiedende wijs |
| soigneerde | verleden tijd |
| soignere | aanvoegende wijs |
| soignerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesoigneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te soigneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen soigneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesoigneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesoigneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesoigneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesoigneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesoigneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesoigneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesoigneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesoigneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gesoigneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gesoigneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gesoigneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gesoigneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gesoigneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gesoigneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gesoigneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gesoigneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gesoigneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gesoigneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesoigneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gesoigneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gesoigneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesoigneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesoigneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gesoigneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesoigneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesoigneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesoigneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal soigneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal soigneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal soigneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesoigneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesoigneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesoigneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesoigneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gesoigneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesoigneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesoigneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesoigneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesoigneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesoigneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou soigneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou soigneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou soigneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesoigneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesoigneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesoigneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesoigneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gesoigneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gesoigneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesoigneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesoigneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesoigneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden soigneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden soigneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden soigneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesoigneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesoigneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesoigneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt soigneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesoigneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesoigneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesoigneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesoigneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gesoigneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gesoigneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesoigneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesoigneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesoigneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen soigneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen soigneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen soigneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen soigneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesoigneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesoigneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesoigneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult soigneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verzorgen’ voor het eerst aangetroffen in 1539
Woordfamilie van soigneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesoigneerd | voltooid deelwoord | soigneren |
| soigneer | gebiedende wijs | soigneren |
| soigneerde | verleden tijd | soigneren |
| soigneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | soigneren |
| soigneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | soigneren |
| soignere | aanvoegende wijs | soigneren |
| soignerend | onvoltooid deelwoord | soigneren |
| soignerende | woordvorm | soigneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van soigneren zijn vastgelegd.