snowboarden
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- met een snowboard van een berghelling of piste afglijden
- met een snowboard ergens heengaan
Vervoeging van snowboarden
snowboardenhele werkwoord — snowboarddeverleden tijd enkelvoud — snowboarddenverleden tijd meervoud — gesnowboardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | snowboard | snowboardde |
| jij | snowboardt | snowboardde |
| hij, zij, het | snowboardt | snowboardde |
| wij | snowboarden | snowboardden |
| jullie | snowboarden | snowboardden |
| zij | snowboarden | snowboardden |
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesnowboard | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gesnowboard | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gesnowboard | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gesnowboard | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gesnowboard worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gesnowboard zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gesnowboard worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gesnowboard zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesnowboard | verleden tijd, deelwoord |
| gesnowboard te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesnowboard zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben gesnowboard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| snowboard | gebiedende wijs |
| snowboardde | verleden tijd |
| snowboarde | aanvoegende wijs |
| snowboardend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben/zijn gesnowboard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te snowboarden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen snowboarden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal snowboarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal snowboarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal snowboarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesnowboard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zou snowboarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou snowboarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou snowboarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden snowboarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden snowboarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden snowboarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt snowboarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen snowboarden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen snowboarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen snowboarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen snowboarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult snowboarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord snowboard
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘op een plank van een besneeuwde helling af glijden’ voor het eerst aangetroffen in 1989
Woordfamilie van snowboarden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesnowboard | voltooid deelwoord | snowboarden |
| gesnowboarde | woordvorm | snowboarden |
| snowboardde | verleden tijd | snowboarden |
| snowboardden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | snowboarden |
| snowboarde | aanvoegende wijs | snowboarden |
| snowboardend | onvoltooid deelwoord | snowboarden |
| snowboardende | woordvorm | snowboarden |
| snowboardt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | snowboarden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snowboarden zijn vastgelegd.