Naar de inhoud

snowboarden

met een snowboard van een berghelling of piste afglijden

snowboarden is meer dan één woord

snowboarden

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. met een snowboard van een berghelling of piste afglijden
  2. met een snowboard ergens heengaan

Vervoeging van snowboarden

snowboardenhele werkwoord — snowboarddeverleden tijd enkelvoud — snowboarddenverleden tijd meervoud — gesnowboardvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik snowboard snowboardde
jij snowboardt snowboardde
hij, zij, het snowboardt snowboardde
wij snowboarden snowboardden
jullie snowboarden snowboardden
zij snowboarden snowboardden
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gesnowboard impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was gesnowboard impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd gesnowboard impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt gesnowboard impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gesnowboard worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gesnowboard zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou gesnowboard worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou gesnowboard zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesnowboard verleden tijd, deelwoord
gesnowboard te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesnowboard zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hebben gesnowboard actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
snowboard gebiedende wijs
snowboardde verleden tijd
snowboarde aanvoegende wijs
snowboardend onvoltooid, deelwoord
te hebben/zijn gesnowboard actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te snowboarden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen snowboarden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal snowboarden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal snowboarden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal snowboarden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gesnowboard actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zou snowboarden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou snowboarden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou snowboarden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden snowboarden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden snowboarden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden snowboarden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt snowboarden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen snowboarden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen snowboarden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen snowboarden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen snowboarden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult snowboarden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord snowboard

Herkomst

Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘op een plank van een besneeuwde helling af glijden’ voor het eerst aangetroffen in 1989

Woordfamilie van snowboarden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gesnowboard voltooid deelwoord snowboarden
gesnowboarde woordvorm snowboarden
snowboardde verleden tijd snowboarden
snowboardden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon snowboarden
snowboarde aanvoegende wijs snowboarden
snowboardend onvoltooid deelwoord snowboarden
snowboardende woordvorm snowboarden
snowboardt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon snowboarden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snowboarden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over snowboarden

Wat is de betekenis van snowboarden?
Snowboarden is een werkwoord. De betekenis is: met een snowboard van een berghelling of piste afglijden. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik snowboarden?
Zo vervoeg je snowboarden zo: de tegenwoordige tijd is snowboard, de verleden tijd is snowboardde en het voltooid deelwoord is gesnowboard. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord snowboarden is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. N 1
  3. O 1
  4. W 5
  5. B 3
  6. O 1
  7. A 1
  8. R 2
  9. D 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

snowboarden levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. N 1
  3. O 1
  4. W 5
  5. B 4
  6. O 1
  7. A 1
  8. R 2
  9. D 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

snowboarden in het kort

snowboarden is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van snowboarden staan er 29 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort snowboarden bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

snowboarden: met een snowboard van een berghelling of piste afglijden
Deel snowboarden — standaardnederlands.nl