snotteren
werkwoordBetekenis
- door de neusgaten neusslijm verliezen
- telkens neusslijm ophalen
- door hevig verdriet traanvocht door de neusgaten verliezen
Vervoeging van snotteren
snotterenhele werkwoord — snotterdeverleden tijd enkelvoud — snotterdenverleden tijd meervoud — gesnotterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | snotter | snotterde |
| jij | snottert | snotterde |
| hij, zij, het | snottert | snotterde |
| wij | snotteren | snotterden |
| jullie | snotteren | snotterden |
| zij | snotteren | snotterden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesnotterd | verleden tijd, deelwoord |
| gesnotterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesnotterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesnotterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesnotterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesnotterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesnotterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesnotterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesnotterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesnotterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesnotterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnotterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesnotterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnotterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesnotterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesnotterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnotterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnotterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| snotter | gebiedende wijs |
| snotterde | verleden tijd |
| snottere | aanvoegende wijs |
| snotterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesnotterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te snotteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen snotteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesnotterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesnotterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesnotterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal snotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal snotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal snotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesnotterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesnotterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesnotterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou snotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou snotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou snotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesnotterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesnotterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesnotterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden snotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden snotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden snotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesnotterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt snotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesnotterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesnotterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesnotterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen snotteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen snotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen snotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen snotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesnotterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult snotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit snuiten met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van snotteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesnotterd | voltooid deelwoord | snotteren |
| snotter | gebiedende wijs | snotteren |
| snotterde | verleden tijd | snotteren |
| snotterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | snotteren |
| snottere | aanvoegende wijs | snotteren |
| snotterend | onvoltooid deelwoord | snotteren |
| snotterende | woordvorm | snotteren |
| snottert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | snotteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snotteren zijn vastgelegd.