smiespelen
werkwoordBetekenis
- half verholen met elkaar praten
Vervoeging van smiespelen
smiespelenhele werkwoord — smiespeldeverleden tijd enkelvoud — smiespeldenverleden tijd meervoud — gesmiespeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | smiespel | smiespelde |
| jij | smiespelt | smiespelde |
| hij, zij, het | smiespelt | smiespelde |
| wij | smiespelen | smiespelden |
| jullie | smiespelen | smiespelden |
| zij | smiespelen | smiespelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesmiespeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesmiespeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesmiespeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesmiespeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesmiespeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesmiespeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesmiespeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesmiespeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesmiespeld | verleden tijd, deelwoord |
| gesmiespeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesmiespeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesmiespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesmiespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesmiespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesmiespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesmiespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesmiespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesmiespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesmiespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmiespeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesmiespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmiespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesmiespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesmiespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmiespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmiespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| smiespel | gebiedende wijs |
| smiespelde | verleden tijd |
| smiespele | aanvoegende wijs |
| smiespelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesmiespeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te smiespelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen smiespelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesmiespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesmiespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesmiespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal smiespelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal smiespelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal smiespelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesmiespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesmiespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesmiespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou smiespelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou smiespelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou smiespelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesmiespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesmiespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesmiespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden smiespelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden smiespelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden smiespelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesmiespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt smiespelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesmiespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesmiespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesmiespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen smiespelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen smiespelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen smiespelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen smiespelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesmiespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult smiespelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘fluisteren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1874
Woordfamilie van smiespelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesmiespeld | voltooid deelwoord | smiespelen |
| smiespel | gebiedende wijs | smiespelen |
| smiespelde | verleden tijd | smiespelen |
| smiespelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | smiespelen |
| smiespele | aanvoegende wijs | smiespelen |
| smiespelend | onvoltooid deelwoord | smiespelen |
| smiespelende | woordvorm | smiespelen |
| smiespelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | smiespelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van smiespelen zijn vastgelegd.