sluikstorten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- illegaal afval storten
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van sluikstorten
sluikstortenhele werkwoord — sluikstortteverleden tijd enkelvoud — sluikstorttenverleden tijd meervoud — gesluikstortvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sluikstort | sluikstortte |
| jij | sluikstort | sluikstortte |
| hij, zij, het | sluikstort | sluikstortte |
| wij | sluikstorten | sluikstortten |
| jullie | sluikstorten | sluikstortten |
| zij | sluikstorten | sluikstortten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesluikstort | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesluikstort | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesluikstort | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesluikstort | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesluikstort worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesluikstort zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesluikstort worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesluikstort zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesluikstort | verleden tijd, deelwoord |
| gesluikstort te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesluikstort zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesluikstort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesluikstort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesluikstort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesluikstort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesluikstort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesluikstort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesluikstort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesluikstort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesluikstort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesluikstort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesluikstort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesluikstort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesluikstort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesluikstort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesluikstort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sluikstort | gebiedende wijs |
| sluikstorte | aanvoegende wijs |
| sluikstortend | onvoltooid, deelwoord |
| sluikstortte | verleden tijd |
| te hebben gesluikstort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te sluikstorten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sluikstorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesluikstort hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesluikstort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesluikstort hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sluikstorten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sluikstorten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sluikstorten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesluikstort hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesluikstort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesluikstort hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sluikstorten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sluikstorten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sluikstorten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesluikstort hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesluikstort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesluikstort hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sluikstorten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sluikstorten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sluikstorten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesluikstort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sluikstorten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesluikstort hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesluikstort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesluikstort hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sluikstorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sluikstorten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sluikstorten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sluikstorten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesluikstort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sluikstorten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord sluikstort
Herkomst
samenstelling van sluik zn en storten ww
Woordfamilie van sluikstorten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesluikstort | voltooid deelwoord | sluikstorten |
| sluikstorte | aanvoegende wijs | sluikstorten |
| sluikstortend | onvoltooid deelwoord | sluikstorten |
| sluikstortende | woordvorm | sluikstorten |
| sluikstortte | verleden tijd | sluikstorten |
| sluikstortten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | sluikstorten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sluikstorten zijn vastgelegd.