sloffen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /slɔf.ən/Betekenis
- zich zodanig voortbewegen dat de zool over de grond schuift
- geluk hebben
Hoe spreek je sloffen uit?
/slɔfən/
Sloffen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| ɔ | bot |
| f | fiets |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van sloffen
sloffenhele werkwoord — slofteverleden tijd enkelvoud — sloftenverleden tijd meervoud — gesloftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | slof | slofte |
| jij | sloft | slofte |
| hij, zij, het | sloft | slofte |
| wij | sloffen | sloften |
| jullie | sloffen | sloften |
| zij | sloffen | sloften |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesloft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesloft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesloft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesloft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesloft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesloft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesloft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesloft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesloft | verleden tijd, deelwoord |
| gesloft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesloft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesloft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesloft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesloft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesloft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesloft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesloft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesloft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesloft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesloft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesloft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesloft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesloft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesloft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesloft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesloft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| slof | gebiedende wijs |
| sloffe | aanvoegende wijs |
| sloffend | onvoltooid, deelwoord |
| slofte | verleden tijd |
| te hebben gesloft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te sloffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sloffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesloft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesloft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesloft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sloffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sloffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sloffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesloft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesloft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesloft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sloffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sloffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sloffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesloft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesloft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesloft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sloffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sloffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sloffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesloft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sloffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesloft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesloft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesloft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sloffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sloffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sloffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sloffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesloft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sloffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord slof
Herkomst
In de betekenis van ‘slepend lopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1769
Woordfamilie van sloffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesloft | voltooid deelwoord | sloffen |
| sloft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | sloffen |
| slofte | verleden tijd | sloffen |
| sloften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | sloffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sloffen zijn vastgelegd.