slenteren
werkwoordBetekenis
- langzaam, lusteloos ergens heen lopen
- langzaam, lusteloos lopen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
werkwoord
- langzaam en futloos/lusteloos ergens heen lopen ergative
- langzaam lopen zonder specifiek doel unergative
- slabakken, talmen, treuzelen obsolete, unergative
- kruipen ww, slingeren obsolete, unergative
Vervoeging van slenteren
slenterenhele werkwoord — slenterdeverleden tijd enkelvoud — slenterdenverleden tijd meervoud — geslenterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | slenter | slenterde |
| jij | slentert | slenterde |
| hij, zij, het | slentert | slenterde |
| wij | slenteren | slenterden |
| jullie | slenteren | slenterden |
| zij | slenteren | slenterden |
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geslenterd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was geslenterd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd geslenterd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt geslenterd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal geslenterd worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal geslenterd zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou geslenterd worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou geslenterd zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geslenterd | verleden tijd, deelwoord |
| geslenterd te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geslenterd zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben geslenterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| slenter | gebiedende wijs |
| slenterde | verleden tijd |
| slentere | aanvoegende wijs |
| slenterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben/zijn geslenterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te slenteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen slenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal slenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal slenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal slenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geslenterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zou slenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou slenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou slenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden slenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden slenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden slenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt slenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen slenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen slenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen slenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen slenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult slenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Mogelijk van Protogermaans *slantjan-, Indo-Europees *sleidh-; dezelfde herkomst als slinderen. In de betekenissen "kruipen, slingeren"/"toeven, treuzelen" voor het eerst aangetroffen omstreeks 1599. In de tegenwoordig gangbaardere betekenis van ‘langzaam lopen’ voor het eerst aangetroffen in 1701
Woordfamilie van slenteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geslenterd | voltooid deelwoord | slenteren |
| geslenterde | woordvorm | slenteren |
| slenter | gebiedende wijs | slenteren |
| slenterde | verleden tijd | slenteren |
| slenterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | slenteren |
| slentere | aanvoegende wijs | slenteren |
| slenterend | onvoltooid deelwoord | slenteren |
| slenterende | woordvorm | slenteren |
| slentert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | slenteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slenteren zijn vastgelegd.