slecht
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, werkwoord /slɛçt/Betekenis
- van lage kwaliteit
- kwaadaardig, kwaadwillend, niet van goede wil getuigend
- van het weer: met meer wind, regen en lagere temperatuur
- vlak, effen, glad
- niet goed
Hoe spreek je slecht uit?
/slɛçt/
Slecht bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| ɛ | bed |
| t | tak |
bijvoeglijk naamwoord
- niet van goede wil getuigend, zonder enig moreel besef
- hinderlijk of vervelend; ongunstig
- onjuist, verkeerd [2]
- met over het algemeen veel wind, regen en meestal een lagere temperatuur
- zonder oneffenheden obsolete
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| slechte | verbogen, stellende trap |
| slechter | onverbogen, vergrotende trap |
| slechtere | verbogen, vergrotende trap |
| slechters | partitief, vergrotende trap |
| slechts | partitief, stellende trap |
| slechtst | onverbogen, overtreffende trap |
| slechtste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van slechten
- gebiedende wijs van slechten
Vervoeging van slecht
slechthele werkwoord
Herkomst
Oorspronkelijk in de betekenis van ‘eenvoudig, onaanzienlijk, gering’, vervolgens ‘ordinair, minderwaardig; onnozel’ (ook gespeld als slicht). In de betekenis van ‘niet goed [van afkomst]’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Woordfamilie van slecht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| slechter | vergrotende trap | slecht |
| slechtere | verbogen vergrotende trap | slecht |
| slechters | partitieve vergrotende trap | slecht |
| slechtst | uninflected, superlative | slecht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slecht zijn vastgelegd.