slechthorend
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- niet goed geluid kunnen waarnemen
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| slechthorende | verbogen, stellende trap |
| slechthorender | onverbogen, vergrotende trap |
| slechthorendere | verbogen, vergrotende trap |
| slechthorenders | partitief, vergrotende trap |
| slechthorends | partitief, stellende trap |
| slechthorendst | onverbogen, overtreffende trap |
| slechthorendste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
In de betekenis van ‘min of meer doof’ voor het eerst aangetroffen in 1884
Woordfamilie van slechthorend
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| slechthorende | verbogen vorm | slechthorend |
| slechthorender | vergrotende trap | slechthorend |
| slechthorendere | verbogen vergrotende trap | slechthorend |
| slechthorenders | partitieve vergrotende trap | slechthorend |
| slechthorends | partitive, positive | slechthorend |
| slechthorendst | uninflected, superlative | slechthorend |
| slechthorendste | inflected, superlative | slechthorend |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slechthorend zijn vastgelegd.