skimmen
werkwoordBetekenis
- de magneetstrip van een (inmiddels verouderd) bankpasje van een ander kopiëren met het doel, als het tevens lukt de pincode van die bankpas te bemachtigen, daarmee illegaal geldopnames te verrichten
Vervoeging van skimmen
skimmenhele werkwoord — skimdeverleden tijd enkelvoud — skimdenverleden tijd meervoud — geskimdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | skim | skimde |
| jij | skimt | skimde |
| hij, zij, het | skimt | skimde |
| wij | skimmen | skimden |
| jullie | skimmen | skimden |
| zij | skimmen | skimden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geskimd | verleden tijd, deelwoord |
| geskimd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geskimd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geskimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geskimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geskimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geskimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geskimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geskimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geskimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geskimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geskimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geskimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geskimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geskimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geskimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geskimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geskimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| skim | gebiedende wijs |
| skimde | verleden tijd |
| skimme | aanvoegende wijs |
| skimmend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geskimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te skimmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen skimmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geskimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geskimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geskimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal skimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal skimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal skimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geskimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geskimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geskimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou skimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou skimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou skimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geskimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geskimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geskimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden skimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden skimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden skimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geskimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt skimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geskimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geskimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geskimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen skimmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen skimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen skimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen skimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geskimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult skimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van het Engels
Woordfamilie van skimmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geskimd | voltooid deelwoord | skimmen |
| skim | gebiedende wijs | skimmen |
| skimde | verleden tijd | skimmen |
| skimden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | skimmen |
| skimme | aanvoegende wijs | skimmen |
| skimmend | onvoltooid deelwoord | skimmen |
| skimmende | woordvorm | skimmen |
| skimt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | skimmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van skimmen zijn vastgelegd.