schuwen
werkwoordBetekenis
- mijden
Vervoeging van schuwen
schuwenhele werkwoord — schuwdeverleden tijd enkelvoud — schuwdenverleden tijd meervoud — geschuwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schuw | schuwde |
| jij | schuwt | schuwde |
| hij, zij, het | schuwt | schuwde |
| wij | schuwen | schuwden |
| jullie | schuwen | schuwden |
| zij | schuwen | schuwden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geschuwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschuwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschuwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschuwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschuwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschuwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschuwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschuwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschuwd | verleden tijd, deelwoord |
| geschuwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschuwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschuwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschuwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschuwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschuwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschuwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschuwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschuwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschuwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schuw | gebiedende wijs |
| schuwde | verleden tijd |
| schuwe | aanvoegende wijs |
| schuwend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schuwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geschuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geschuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geschuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geschuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geschuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geschuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geschuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geschuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geschuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geschuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geschuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geschuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geschuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geschuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geschuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geschuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geschuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geschuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geschuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geschuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geschuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geschuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geschuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geschuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geschuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘bang zijn, vermijden’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Woordfamilie van schuwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschuwd | voltooid deelwoord | schuwen |
| geschuwde | woordvorm | schuwen |
| schuwde | verleden tijd | schuwen |
| schuwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schuwen |
| schuwend | onvoltooid deelwoord | schuwen |
| schuwende | woordvorm | schuwen |
| schuwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schuwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schuwen zijn vastgelegd.