schuren
werkwoord, zelfstandig naamwoord /sxyrə(n)/Betekenis
- een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
- poetsen, wrijven
- met de geslachtsdelen tegen iets of iemand aanwrijven
- op een intieme manier, heel dicht met elkaar dansen
- spanning, wanklank of disharmonie veroorzaken
Hoe spreek je schuren uit?
/sxyrən/
Schuren bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| y | fuut |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van schuren
schurenhele werkwoord — schuurdeverleden tijd enkelvoud — schuurdenverleden tijd meervoud — geschuurdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schuur | schuurde |
| jij | schuurt | schuurde |
| hij, zij, het | schuurt | schuurde |
| wij | schuren | schuurden |
| jullie | schuren | schuurden |
| zij | schuren | schuurden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geschuurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschuurd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschuurd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschuurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschuurd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschuurd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschuurd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschuurd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschuurd | verleden tijd, deelwoord |
| geschuurd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschuurd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschuurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schure | aanvoegende wijs |
| schurend | onvoltooid, deelwoord |
| schuur | gebiedende wijs |
| schuurde | verleden tijd |
| te hebben geschuurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schuren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schuur
Herkomst
Ontwikkeld uit Middelnederlands scuren “drukkend wrijven”, “poetsen”, “polijsten” (1287), ontleend aan Oudfrans escurer “geheel reinigen”, “schoonkrabben” (ca. 1223).
Woordfamilie van schuren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschuurd | voltooid deelwoord | schuren |
| geschuurde | woordvorm | schuren |
| schure | aanvoegende wijs | schuren |
| schuurde | verleden tijd | schuren |
| schuurden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schuren |
| schuurt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schuren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schuren zijn vastgelegd.