schroeien
werkwoordBetekenis
- de oppervlakte een beetje verbranden
- door blootstelling aan intense hitte of straling oppervlakkig bruin worden
Vervoeging van schroeien
schroeienhele werkwoord — schroeideverleden tijd enkelvoud — schroeidenverleden tijd meervoud — geschroeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schroei | schroeide |
| jij | schroeit | schroeide |
| hij, zij, het | schroeit | schroeide |
| wij | schroeien | schroeiden |
| jullie | schroeien | schroeiden |
| zij | schroeien | schroeiden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben geschroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geschroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geschroeid | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was geschroeid | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd geschroeid | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt geschroeid | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal geschroeid worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal geschroeid zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou geschroeid worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou geschroeid zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschroeid | verleden tijd, deelwoord |
| geschroeid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschroeid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschroeid te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschroeid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschroeid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschroeid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschroeid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschroeid zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschroeid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschroeid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben geschroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is geschroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geschroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schroei | gebiedende wijs |
| schroeide | verleden tijd |
| schroeie | aanvoegende wijs |
| schroeiend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben/zijn geschroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schroeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schroeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geschroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschroeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geschroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschroeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschroeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geschroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geschroeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geschroeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geschroeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geschroeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geschroeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geschroeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geschroeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geschroeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geschroeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geschroeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geschroeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geschroeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geschroeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geschroeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geschroeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschroeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geschroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geschroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geschroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geschroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geschroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geschroeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschroeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geschroeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschroeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geschroeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geschroeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschroeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschroeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geschroeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geschroeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schroeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschroeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘oppervlakkig verbranden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1618
Woordfamilie van schroeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschroeid | voltooid deelwoord | schroeien |
| geschroeide | woordvorm | schroeien |
| schroei | gebiedende wijs | schroeien |
| schroeide | verleden tijd | schroeien |
| schroeiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schroeien |
| schroeie | aanvoegende wijs | schroeien |
| schroeit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schroeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schroeien zijn vastgelegd.