Naar de inhoud

schoolgaan

op een bepaalde school ingeschreven staan om daar lessen volgen

schoolgaan

werkwoord ˈsxolɣan

Betekenis

  1. op een bepaalde school ingeschreven staan om daar lessen volgen
  2. het volgen van lessen aan scholen

Hoe spreek je schoolgaan uit?

/ˈsxolxan/

Schoolgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈsxolxan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
x acht
o boot
l land
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van schoolgaan

schoolgaanhele werkwoord — ging schoolverleden tijd enkelvoud — gingen schoolverleden tijd meervoud — schoolgegaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ga school ging school
jij gaat school ging school
hij, zij, het gaat school ging school
wij gaan school gingen school
jullie gaan school gingen school
zij gaan school gingen school
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
ga school gebiedende wijs
ging school verleden tijd
had schoolgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had schoolgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had schoolgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden schoolgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden schoolgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden schoolgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt schoolgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb schoolgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben schoolgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben schoolgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben schoolgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben schoolgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt schoolgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft schoolgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft schoolgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
school te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
school te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
school zal gaan bijzin, toekomende tijd
school zou gaan bijzin, voorwaardelijk
school zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
school zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
school zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
school zullen gaan bijzin, toekomende tijd
school zult gaan bijzin, toekomende tijd
schoolga bijzin, tegenwoordige tijd
schoolgaand onvoltooid, deelwoord
schoolgaat bijzin, tegenwoordige tijd
schoolgegaan verleden tijd, deelwoord
schoolgegaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
schoolgegaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
schoolging bijzin, verleden tijd
schoolgingen bijzin, verleden tijd
te hebben schoolgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schoolgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal schoolgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schoolgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schoolgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal schoolgaan bijzin, toekomende tijd
zal schoolgegaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal schoolgegaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal schoolgegaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou schoolgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schoolgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schoolgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou schoolgaan bijzin, voorwaardelijk
zou schoolgegaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou schoolgegaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou schoolgegaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) schoolgaan school zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden schoolgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schoolgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schoolgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden schoolgaan bijzin, voorwaardelijk
zouden schoolgegaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden schoolgegaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden schoolgegaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt schoolgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt schoolgaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt schoolgegaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen schoolgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schoolgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schoolgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schoolgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen schoolgaan bijzin, toekomende tijd
zullen schoolgegaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen schoolgegaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen schoolgegaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult schoolgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult schoolgaan bijzin, toekomende tijd
zult schoolgegaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal schoolgaan school zult/zal gaan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van school en gaan

Woordfamilie van schoolgaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ga school gebiedende wijs schoolgaan
gaan school aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon schoolgaan
gaat school aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon schoolgaan
ging school verleden tijd schoolgaan
gingen school aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon schoolgaan
schoolga subordinate-clause, tegenwoordige tijd schoolgaan
schoolgaand onvoltooid deelwoord schoolgaan
schoolgaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd schoolgaan
schoolgegaan voltooid deelwoord schoolgaan
schoolging subordinate-clause, verleden tijd schoolgaan
schoolgingen subordinate-clause, verleden tijd schoolgaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schoolgaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over schoolgaan

Hoe spreek ik schoolgaan uit?
Zo spreek je schoolgaan uit: /ˈsxolɣan/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van schoolgaan?
Schoolgaan is een werkwoord. De betekenis is: op een bepaalde school ingeschreven staan om daar lessen volgen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik schoolgaan?
Zo vervoeg je schoolgaan zo: het voltooid deelwoord is schoolgegaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord schoolgaan is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. O 1
  5. O 1
  6. L 3
  7. G 3
  8. A 1
  9. A 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

schoolgaan levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. O 1
  5. O 1
  6. L 3
  7. G 3
  8. A 1
  9. A 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

schoolgaan in het kort

schoolgaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van schoolgaan staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort schoolgaan bij een woordfamilie van 11 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

schoolgaan: op een bepaalde school ingeschreven staan om daar lessen volgen
Deel schoolgaan — standaardnederlands.nl