schoeien
werkwoordBetekenis
- van schoeisel voorzien
Vervoeging van schoeien
schoeienhele werkwoord — schoeideverleden tijd enkelvoud — schoeidenverleden tijd meervoud — geschoeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schoei | schoeide |
| jij | schoeit | schoeide |
| hij, zij, het | schoeit | schoeide |
| wij | schoeien | schoeiden |
| jullie | schoeien | schoeiden |
| zij | schoeien | schoeiden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geschoeid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschoeid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschoeid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschoeid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschoeid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschoeid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschoeid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschoeid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschoeid | verleden tijd, deelwoord |
| geschoeid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschoeid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschoeid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschoeid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschoeid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschoeid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschoeid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschoeid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschoeid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschoeid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschoeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschoeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschoeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschoeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschoeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschoeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschoeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschoeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schoei | gebiedende wijs |
| schoeide | verleden tijd |
| schoeie | aanvoegende wijs |
| schoeiend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschoeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schoeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schoeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geschoeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschoeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geschoeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschoeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschoeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geschoeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geschoeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geschoeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geschoeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geschoeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geschoeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geschoeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geschoeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geschoeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geschoeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geschoeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geschoeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geschoeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geschoeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geschoeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geschoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschoeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschoeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschoeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschoeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geschoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geschoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschoeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschoeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geschoeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschoeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschoeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschoeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschoeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geschoeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geschoeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschoeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschoeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschoeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschoeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschoeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschoeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geschoeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geschoeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschoeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschoeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschoeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schoeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschoeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschoeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘van schoenen voorzien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van schoeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschoeid | voltooid deelwoord | schoeien |
| schoei | gebiedende wijs | schoeien |
| schoeide | verleden tijd | schoeien |
| schoeiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schoeien |
| schoeie | aanvoegende wijs | schoeien |
| schoeiend | onvoltooid deelwoord | schoeien |
| schoeiende | woordvorm | schoeien |
| schoeit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schoeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schoeien zijn vastgelegd.