Naar de inhoud

schimpen

honen, schelden

schimpen

werkwoord

Betekenis

  1. honen, schelden

Vervoeging van schimpen

schimpenhele werkwoord — schimpteverleden tijd enkelvoud — schimptenverleden tijd meervoud — geschimptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schimp schimpte
jij schimpt schimpte
hij, zij, het schimpt schimpte
wij schimpen schimpten
jullie schimpen schimpten
zij schimpen schimpten
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
geschimpt verleden tijd, deelwoord
geschimpt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschimpt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschimpt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschimpt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschimpt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschimpt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschimpt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschimpt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschimpt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschimpt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschimpt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschimpt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschimpt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschimpt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschimpt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschimpt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschimpt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schimp gebiedende wijs
schimpe aanvoegende wijs
schimpend onvoltooid, deelwoord
schimpte verleden tijd
te hebben geschimpt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schimpen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schimpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geschimpt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschimpt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschimpt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schimpen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schimpen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schimpen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geschimpt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschimpt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschimpt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schimpen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schimpen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schimpen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschimpt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschimpt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschimpt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schimpen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schimpen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schimpen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschimpt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schimpen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschimpt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschimpt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschimpt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schimpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schimpen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schimpen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schimpen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geschimpt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schimpen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van schimpen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geschimpt voltooid deelwoord schimpen
schimp gebiedende wijs schimpen
schimpe aanvoegende wijs schimpen
schimpend onvoltooid deelwoord schimpen
schimpende woordvorm schimpen
schimpt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon schimpen
schimpte verleden tijd schimpen
schimpten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon schimpen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schimpen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over schimpen

Wat betekent schimpen?
Schimpen is een werkwoord. Het woord betekent: honen, schelden.
Hoe vervoeg je schimpen?
Je vervoegt schimpen als volgt: de tegenwoordige tijd is schimp, de verleden tijd is schimpte en het voltooid deelwoord is geschimpt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord schimpen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. I 1
  5. M 3
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

schimpen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. I 2
  5. M 3
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 22 zonder bonus
  10. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

schimpen in het kort

schimpen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van schimpen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort schimpen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

schimpen: honen, schelden
Deel schimpen — standaardnederlands.nl