| ev. |
gebiedende wijs
|
| geschimpt |
verleden tijd, deelwoord
|
| geschimpt te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| geschimpt zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had geschimpt |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had geschimpt |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had geschimpt |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden geschimpt |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden geschimpt |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden geschimpt |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt geschimpt |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb geschimpt |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geschimpt |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben geschimpt |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geschimpt |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben geschimpt |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt geschimpt |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geschimpt |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geschimpt |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| schimp |
gebiedende wijs
|
| schimpe |
aanvoegende wijs
|
| schimpend |
onvoltooid, deelwoord
|
| schimpte |
verleden tijd
|
| te hebben geschimpt |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te schimpen |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen schimpen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| zal geschimpt hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal geschimpt hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal geschimpt hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal schimpen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal schimpen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal schimpen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zou geschimpt hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou geschimpt hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou geschimpt hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou schimpen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou schimpen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou schimpen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zouden geschimpt hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden geschimpt hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden geschimpt hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden schimpen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden schimpen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden schimpen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zoudt geschimpt hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt schimpen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zullen geschimpt hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen geschimpt hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen geschimpt hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen schimpen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen schimpen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen schimpen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen schimpen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zult geschimpt hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult schimpen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|