schermutselen
werkwoordBetekenis
- op kleine schaal gevechten houden
Vervoeging van schermutselen
schermutselenhele werkwoord — schermutseldeverleden tijd enkelvoud — schermutseldenverleden tijd meervoud — geschermutseldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schermutsel | schermutselde |
| jij | schermutselt | schermutselde |
| hij, zij, het | schermutselt | schermutselde |
| wij | schermutselen | schermutselden |
| jullie | schermutselen | schermutselden |
| zij | schermutselen | schermutselden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geschermutseld | verleden tijd, deelwoord |
| geschermutseld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschermutseld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschermutseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschermutseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschermutseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschermutseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschermutseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschermutseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschermutseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschermutseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschermutseld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschermutseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschermutseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschermutseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschermutseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschermutseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschermutseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schermutsel | gebiedende wijs |
| schermutselde | verleden tijd |
| schermutsele | aanvoegende wijs |
| schermutselend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschermutseld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schermutselen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schermutselen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschermutseld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschermutseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschermutseld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schermutselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schermutselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schermutselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschermutseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschermutseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschermutseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schermutselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schermutselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schermutselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschermutseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschermutseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschermutseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schermutselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schermutselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schermutselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschermutseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schermutselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschermutseld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschermutseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschermutseld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schermutselen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schermutselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schermutselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schermutselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschermutseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schermutselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Het werkwoord is kennelijk gevormd op basis van of beïnvloed door Duits Scharmützel "handgemeen, klein conflict", in de betekenis van ‘kleine gevechten houden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1704
Woordfamilie van schermutselen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschermutseld | voltooid deelwoord | schermutselen |
| schermutsel | gebiedende wijs | schermutselen |
| schermutselde | verleden tijd | schermutselen |
| schermutselden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schermutselen |
| schermutsele | aanvoegende wijs | schermutselen |
| schermutselend | onvoltooid deelwoord | schermutselen |
| schermutselende | woordvorm | schermutselen |
| schermutselt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schermutselen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schermutselen zijn vastgelegd.