schaterlachen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- luidkeels lachen
Vervoeging van schaterlachen
schaterlachenhele werkwoord — schaterlachteverleden tijd enkelvoud — schaterlachtenverleden tijd meervoud — geschaterlachtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schaterlach | schaterlachte |
| jij | schaterlacht | schaterlachte |
| hij, zij, het | schaterlacht | schaterlachte |
| wij | schaterlachen | schaterlachten |
| jullie | schaterlachen | schaterlachten |
| zij | schaterlachen | schaterlachten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geschaterlacht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschaterlacht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschaterlacht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschaterlacht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschaterlacht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschaterlacht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschaterlacht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschaterlacht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschaterlacht | verleden tijd, deelwoord |
| geschaterlacht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaterlacht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschaterlacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschaterlacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschaterlacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschaterlacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschaterlacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschaterlacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschaterlacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschaterlacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaterlacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschaterlacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaterlacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschaterlacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschaterlacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaterlacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaterlacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schaterlach | gebiedende wijs |
| schaterlache | aanvoegende wijs |
| schaterlachend | onvoltooid, deelwoord |
| schaterlachte | verleden tijd |
| te hebben geschaterlacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schaterlachen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schaterlachen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschaterlacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaterlacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschaterlacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schaterlachen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schaterlachen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schaterlachen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschaterlacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaterlacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaterlacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schaterlachen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schaterlachen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schaterlachen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschaterlacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschaterlacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschaterlacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schaterlachen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schaterlachen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schaterlachen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschaterlacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schaterlachen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschaterlacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschaterlacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschaterlacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schaterlachen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schaterlachen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schaterlachen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schaterlachen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschaterlacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schaterlachen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schaterlach
Herkomst
samenstelling van schater ww en lachen
Woordfamilie van schaterlachen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschaterlacht | voltooid deelwoord | schaterlachen |
| schaterlache | aanvoegende wijs | schaterlachen |
| schaterlachend | onvoltooid deelwoord | schaterlachen |
| schaterlachende | woordvorm | schaterlachen |
| schaterlacht | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schaterlachen |
| schaterlachte | verleden tijd | schaterlachen |
| schaterlachten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schaterlachen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schaterlachen zijn vastgelegd.