schateren
werkwoord /'sxatərə(n)/Betekenis
- luidkeels lachen
Hoe spreek je schateren uit?
/ˈsxatərən/
Schateren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| a | maan |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van schateren
schaterenhele werkwoord — schaterdeverleden tijd enkelvoud — schaterdenverleden tijd meervoud — geschaterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schater | schaterde |
| jij | schatert | schaterde |
| hij, zij, het | schatert | schaterde |
| wij | schateren | schaterden |
| jullie | schateren | schaterden |
| zij | schateren | schaterden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geschaterd | verleden tijd, deelwoord |
| geschaterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschaterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschaterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschaterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschaterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschaterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschaterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschaterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schater | gebiedende wijs |
| schaterde | verleden tijd |
| schatere | aanvoegende wijs |
| schaterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschaterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schateren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schateren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schateren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘helder weerklinken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van schateren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschaterd | voltooid deelwoord | schateren |
| schater | gebiedende wijs | schateren |
| schaterde | verleden tijd | schateren |
| schaterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schateren |
| schatere | aanvoegende wijs | schateren |
| schatert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schateren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schateren zijn vastgelegd.