schaarden
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- kerven doen ontstaan
- kerven krijgen
Vervoeging van schaarden
schaardenhele werkwoord — schaarddeverleden tijd enkelvoud — schaarddenverleden tijd meervoud — geschaardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schaard | schaardde |
| jij | schaardt | schaardde |
| hij, zij, het | schaardt | schaardde |
| wij | schaarden | schaardden |
| jullie | schaarden | schaardden |
| zij | schaarden | schaardden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geschaard | verleden tijd, deelwoord |
| geschaard te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaard zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schaard | gebiedende wijs |
| schaardde | verleden tijd |
| schaarde | aanvoegende wijs |
| schaardend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schaarden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schaarden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schaarden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van scharen
Vervoeging van schaarden
schaardenhele werkwoord — schaarddeverleden tijd enkelvoud — schaarddenverleden tijd meervoud — geschaardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schaard | schaardde |
| jij | schaardt | schaardde |
| hij, zij, het | schaardt | schaardde |
| wij | schaarden | schaardden |
| jullie | schaarden | schaardden |
| zij | schaarden | schaardden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geschaard | verleden tijd, deelwoord |
| geschaard te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaard zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schaard | gebiedende wijs |
| schaardde | verleden tijd |
| schaarde | aanvoegende wijs |
| schaardend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schaarden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schaarden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schaarden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schaard
Woordfamilie van schaarden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schaardde | verleden tijd | schaarden |
| schaardden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schaarden |
| schaardend | onvoltooid deelwoord | schaarden |
| schaardende | woordvorm | schaarden |
| schaardt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schaarden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schaarden zijn vastgelegd.