savoureren
werkwoordBetekenis
- met smaak genieten van
Vervoeging van savoureren
savourerenhele werkwoord — savoureerdeverleden tijd enkelvoud — savoureerdenverleden tijd meervoud — gesavoureerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | savoureer | savoureerde |
| jij | savoureert | savoureerde |
| hij, zij, het | savoureert | savoureerde |
| wij | savoureren | savoureerden |
| jullie | savoureren | savoureerden |
| zij | savoureren | savoureerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesavoureerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesavoureerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesavoureerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesavoureerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesavoureerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesavoureerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesavoureerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesavoureerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesavoureerd | verleden tijd, deelwoord |
| gesavoureerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesavoureerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesavoureerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesavoureerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesavoureerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesavoureerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesavoureerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesavoureerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesavoureerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesavoureerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesavoureerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesavoureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesavoureerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesavoureerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesavoureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesavoureerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesavoureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesavoureerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| savoureer | gebiedende wijs |
| savoureerde | verleden tijd |
| savourere | aanvoegende wijs |
| savourerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesavoureerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te savoureren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen savoureren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesavoureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesavoureerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesavoureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesavoureerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesavoureerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesavoureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesavoureerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesavoureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gesavoureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gesavoureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gesavoureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gesavoureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gesavoureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gesavoureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gesavoureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gesavoureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gesavoureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gesavoureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesavoureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gesavoureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gesavoureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesavoureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesavoureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gesavoureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesavoureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesavoureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesavoureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal savoureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal savoureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal savoureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesavoureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesavoureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesavoureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesavoureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gesavoureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesavoureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesavoureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesavoureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesavoureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesavoureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou savoureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou savoureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou savoureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesavoureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesavoureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesavoureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesavoureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gesavoureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gesavoureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesavoureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesavoureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesavoureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden savoureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden savoureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden savoureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesavoureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesavoureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesavoureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt savoureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesavoureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesavoureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesavoureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesavoureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gesavoureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gesavoureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesavoureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesavoureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesavoureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen savoureren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen savoureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen savoureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen savoureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesavoureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesavoureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesavoureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult savoureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Van het Franse savourer (met het achtervoegsel -eren) . In de betekenis ‘met smaak genieten van’ voor het eerst aangetroffen in 1844
Woordfamilie van savoureren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesavoureerd | voltooid deelwoord | savoureren |
| gesavoureerde | woordvorm | savoureren |
| savoureer | gebiedende wijs | savoureren |
| savoureerde | verleden tijd | savoureren |
| savoureerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | savoureren |
| savoureert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | savoureren |
| savourere | aanvoegende wijs | savoureren |
| savourerend | onvoltooid deelwoord | savoureren |
| savourerende | woordvorm | savoureren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van savoureren zijn vastgelegd.