sappelen
werkwoordBetekenis
- hard werken om aan de kost te komen
Vervoeging van sappelen
sappelenhele werkwoord — sappeldeverleden tijd enkelvoud — sappeldenverleden tijd meervoud — gesappeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sappel | sappelde |
| jij | sappelt | sappelde |
| hij, zij, het | sappelt | sappelde |
| wij | sappelen | sappelden |
| jullie | sappelen | sappelden |
| zij | sappelen | sappelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesappeld | verleden tijd, deelwoord |
| gesappeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesappeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesappeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesappeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesappeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesappeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesappeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesappeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesappeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesappeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesappeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesappeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesappeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesappeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesappeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesappeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesappeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sappel | gebiedende wijs |
| sappelde | verleden tijd |
| sappele | aanvoegende wijs |
| sappelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesappeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te sappelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sappelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesappeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesappeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesappeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sappelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sappelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sappelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesappeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesappeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesappeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sappelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sappelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sappelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesappeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesappeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesappeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sappelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sappelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sappelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesappeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sappelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesappeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesappeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesappeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sappelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sappelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sappelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sappelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesappeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sappelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, meer specifiek Bargoens; zie zappeln. In de betekenis van ‘ploeteren’ voor het eerst aangetroffen in 1898
Woordfamilie van sappelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesappeld | voltooid deelwoord | sappelen |
| sappel | gebiedende wijs | sappelen |
| sappelde | verleden tijd | sappelen |
| sappelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | sappelen |
| sappele | aanvoegende wijs | sappelen |
| sappelend | onvoltooid deelwoord | sappelen |
| sappelende | woordvorm | sappelen |
| sappelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | sappelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sappelen zijn vastgelegd.