saneren
werkwoordBetekenis
- met behulp van ingrijpende maatregelen een einde maken aan een ongezonde financiële toestand
Vervoeging van saneren
sanerenhele werkwoord — saneerdeverleden tijd enkelvoud — saneerdenverleden tijd meervoud — gesaneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | saneer | saneerde |
| jij | saneert | saneerde |
| hij, zij, het | saneert | saneerde |
| wij | saneren | saneerden |
| jullie | saneren | saneerden |
| zij | saneren | saneerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesaneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesaneerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesaneerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesaneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesaneerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesaneerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesaneerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesaneerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesaneerd | verleden tijd, deelwoord |
| gesaneerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesaneerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesaneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesaneerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesaneerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesaneerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesaneerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesaneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesaneerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesaneerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesaneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesaneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesaneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesaneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesaneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| saneer | gebiedende wijs |
| saneerde | verleden tijd |
| sanere | aanvoegende wijs |
| sanerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesaneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te saneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen saneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesaneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesaneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesaneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesaneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesaneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gesaneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gesaneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gesaneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gesaneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gesaneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gesaneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gesaneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gesaneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gesaneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gesaneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesaneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gesaneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gesaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gesaneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesaneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesaneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesaneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal saneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal saneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal saneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gesaneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesaneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesaneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesaneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesaneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesaneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou saneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou saneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou saneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesaneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gesaneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gesaneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesaneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesaneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesaneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden saneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden saneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden saneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesaneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesaneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt saneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesaneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gesaneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gesaneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesaneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesaneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesaneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen saneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen saneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen saneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen saneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesaneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesaneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult saneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘gezond maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1935
Woordfamilie van saneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesaneerd | voltooid deelwoord | saneren |
| gesaneerde | woordvorm | saneren |
| saneer | gebiedende wijs | saneren |
| saneerde | verleden tijd | saneren |
| saneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | saneren |
| saneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | saneren |
| sanere | aanvoegende wijs | saneren |
| sanerend | onvoltooid deelwoord | saneren |
| sanerende | woordvorm | saneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van saneren zijn vastgelegd.